Einde van de oorlog

Einde van de oorlog

Een dag voor de Engelsen er waren lag het helemaal vol met Duitsers, rond het huis, in de stal, heel veel Duitsers waren er. Ze hadden rond het huis vele eenmansputjes in de grond gegraven. Toen het avond werd zeiden ze dat we binnen moesten blijven. Mijn vader vroeg aan die Duitsers wat er toch allemaal te doen was. We mochten niet meer naar buiten want de Tommies waren er bijna.

‘Ze wezen richting de Kuikseindseweg, daar zijn ze al. Wij dachten: zou het waar zijn’?

‘s Morgens toen het licht begon te worden, ik denk ongeveer 7.00 uur.
Onze Gerard en ik zouden toch wel de koeien willen gaan melken die net achter het huis in de wei liepen. Overal lag het vol met Duitsers, in de sloot, in die gaten, overal  waren ze. Het was zo’n paniek.  En ze riepen: “terug in de schuilkelder”. Toen we terugliepen vlogen de granaten al om ons heen. Mijn vader en Sjaan waren nog in de boerderij. Wat was er paniek onder de Duitsers, ze liepen maar op en neer te rennen, wat waren er veel, het leek wel bruin van de soldaten. Vele van hen huilden als kleine kinderen’.

 

Beschietingen

‘Op dat moment zijn wij met z’n allen in de schuilkelder gekropen. Onze schuilkelder was maar een smalle haakse gang in de grond gegraven, van boven open, wel onder een boom’.

‘Toen opeens vloog onze boerderij in brand. Even hebben we geprobeerd iets uit het huis te halen. Op dat moment vloog en net een scherf over onze Gerard zijn hoofd, blaren en stukken takken kreeg hij op zijn hoofd van een boom war hij onderdoor liep. Toen maar weer vlug in de schuilkelder’.

‘Onze schuilkelder lag achter ons huis, daarom konden wij niet zien wat er op straat gebeurde. Om ongeveer 12.00 uur werd het stil en hield het schieten op en zijn we uit de schuilkelder gekropen. We stonden achter de boerderij naar de brand te kijken en toen zagen we vanachter uit de bossen de Engelsen aankomen, helemaal volgehangen met munitie, dat waren de echte stoottroepen.
Zij gaven ons een hand en zeiden wel wat maar daar konden wij niets van verstaan. Zij liepen weer verder’.

‘De overburen, die onze boerderij in brand zagen staan kwamen vlug aangelopen. Zij hadden ons niet gezien en dachten dat we allemaal verbrand waren maar niemand van ons mankeerde iets. Toen wij wat stonden te praten begon het schieten weer in volle gang, de granaten vlogen weer over ons heen en wij al rennend de weg over naar onze overburen van Kollenberg’.

‘Die hadden een betere schuilkelder en wij daar mee in. Maar ook daar was het niet veilig, een grote hoop hout die opgesteld stond langs de schuilkelder schoten ze ondersteboven en viel bovenop de schuilkelder en daardoor was de ingang dichtgevallen. Met veel moeite hebben we die wat open gekregen, zijn er allemaal uitgekropen en toen naar buurman Jo van de Pas. Die hadden een hele goede schuilkelder, geheel opgebouwd van pakken stro en daar een dik pak zand bovenop.  De ingang was  er haaks voor, zodat  ze er niet  rechtsreeks in konden schieten. Dat deden ze overal. Terwijl wij daar in zaten met vele anderen uit de buurt kwam er een granaat tegenaan maar niet doorheen’.

 

Evacuatie

        ‘Daar hebben we een dag of drie  gezeten en toen  kwamen mensen bij ons (ik denk van de P.A.N.) en zijn we naar Vessem gegaan. We gingen naar een oom van ons die daar woonde, we waren niet alleen, daar waren al meerder mensen uit de Beerzen, ik denk dat we wel met zo’n dertig mensen waren. De mannen moesten op de hooizolder slapen en wij sliepen in het woonhuis op de grond op stro. Het was wel gezellig met zo velen en dan veel jongelui’.

        ‘Overdag gingen we eropuit om eten bij elkaar te krijgen. Ook hielpen we mee op het land te werken. Daar het werk al enigen tijd stil had gelegen was er nu werk genoeg’.

 

Terug naar huis

        ‘Na ongeveer drie weken zijn we teruggegaan naar ons huis. Al van te voren zijn we ook wel ene paar keer naar huis geweest maar dan moesten we van tevoren een briefje op het gemeentehuis halen, dan mochten we een paar uur naar huis. Nachts mocht niemand komen in de Beerzen’.

        ‘Het eerste wat we moesten doen toen we thuis kwamen was het vee weer bij elkaar krijgen. Overal liepen koeien, varkens en wat voor vee dan ook, los rond. Van alle boeren was het vee los en dan maar zoeken wat van ons was. Onze boerderij was geheel uitgebrand. Al het graan dat opgestapeld stond langs de boerderij, de gehele oogst, wij hadden niets meer!

Opbouw

Een schuurtje en het bakhuisje was wel veel kapot maar niet uitgebrand.  Het bakhuisje hebben we als eerste opgeknapt en daar zijn we in gaan wonen,  maar alleen overdag, slapen konden we er niet in. Wij waren met z’n vieren thuis.
Vader, mijn moeder is al gestorven toen ik twee jaar was,  verder onze Gerard, ons Sjaan en ik’.

         ’s Nachts gingen ons Sjaan en ik slapen bij ons tante To die achter het Oude Kerkje woonde. Dat was het geboortehuis van mijn vader. Mijn vader en onze Gerard gingen slapen bij de buurman Toon van Kollenburg, daar stond ook ons vee op stal en daar moesten ze bij blijven. Om in het bakhuisje te kunnen wonen hebben we meubels gekregen uit het Kamp Baarschot’.

        ‘Van de H.A.R.K. *1) hebben we kleding gekregen, dat kreeg iedereen die niets meer had. Daar was ook mevrouw Haneveld om het mee uit te delen. Dat waren echte goede mensen, ze waren overal en hielpen iedereen, bij ons kwam ook veel.

Anderhalf jaar later was onze noodboerderij klaar en daar hebben we negen jaar in gewoond. Dat we er negen jaar in hebben gewoond was ook mede ons vader zijn schuld. Hij zei: “wij hebben maar een klein gezing, help eerst die grote gezinnen maar”.

        ‘Toch als ik terugdenk aan die tijd  wat was het toch gevaarlijk maar ik was toen ongeveer 20 jaar en dan sta je niet stil  bij zoiets gevaarlijks. Zeker niet als je het er allemaal goed van afgebracht hebt. Ook hebben we later gezegd: het was toch ook wel een gezellige tijd. Wij, als jonge meiden, kregen veel aandacht van de Engelse soldaten want bij ons tante To, waar wij gingen slapen,  stond een keukenwagen van de Engelsen, als zij eieren wilden hebben ruilden we die tegen sigaretten’.

        ‘Pas later hebben we terug gedacht aan het gevaar.

Onze Gerard die ook bij de P.A.N. *2) was had veel handgranaten gekregen van de ondergrondse en die had hij verstopt onder een hoop hout.   De Duitsers die toen

bij ons waren, ik denk velen uit Reusel gekomen, gingen toen ze aankwamen, op die hoop hout zitten waar de granaten onderlagen. We moeten er niet aan denken dat ze toen in de lucht gevlogen waren.

 

Later geeft Riek Hesselmans – de Laat een aanvulling:

        ‘Bij ons in de buurt zijn 17 Duitse soldaten begraven op de spie bij het dodenhuisje. Voor de oorlog was er een dodenhuisje waar doden begraven werden die aan God noch gebod deden. En dat dodenhuisje stond op de spie Straatsedijk – Westelbeersedijk, bij het begin van de spie.

 

1 Lijkhuisje

2 Westelbeersedijk 5

3 Huis tante To, geboortehuis van vader Hesselmans

 

 

 

 

*1) Hulp Actie Rode Kruis

*2) Partizanen Actie Nederland

 

Comments are closed.